Zeven eeuwen zilveren munten

Blader naar beneden en reis vanaf de 14e eeuw tot de 20e eeuw in de tijd.

14e eeuw

Vanuit het zuiden van Europa begon de economie en handel op te bloeien. Er kwamen grotere zilveren munten uit Europa die grosso of groot genoemd werden. Vanuit Italië kwamen weer gouden munten, de fiorino d’oro ofwel gouden florijn. Deze werd in de Nederlanden al snel ‘gulden’ genoemd. Vlaanderen was in die tijd het economisch centrum van de Nederlanden en vanaf 1337 ging Vlaanderen een eigen groot slaan, de leeuwengroot, die bijna een eeuw lang de standaard bepaalde. Groten werden gaandeweg wel steeds lichter en de koers daalde. Vanaf 1365 werden er ook dubbele groten geslagen die ook wel stuivers werden genoemd. In de afbeelding zie je enkele groten en dubbele groten of stuivers. In dit hoofdstuk vind je meer informatie wat je met deze munten in die tijd kon doen en hoe je ze kon verdienen.

15e eeuw

Philips de Goede kreeg steeds meer de controle over de zuidelijke Nederlanden. Als hertog van Bourgondië werden de zuidelijke Nederlanden de Bourgondische Nederlanden. De noordelijke Nederlanden waren nog zelfstandig, maar wel sterk afhankelijk van de economie in de zuidelijke Nederlanden. Ook in die tijd was er al sprake van inflatie. Vanaf 1434 werd de stuiver gevolgd door de dubbele stuiver of vierlander. Gaandeweg deze eeuw kwamen steeds meer delen onder het gezag van de Bourgondische Nederlanden en werden daar ook Bourgondische munten geslagen. Aan het eind van de 15e eeuw werden er de eerste schellingen van 6 stuivers geslagen. In dit hoofdstuk vind je meer informatie wat die stuivers en schellingen eigenlijk waard waren en hoeveel werk je moest verrichten om ze te verdienen.

16e eeuw

Keizer Karel V werd door een reeks sterfgevallen heerser over grote delen van Europa, waaronder alle Nederlanden en de Spaanse troon. En zo ontstonden de Spaanse Nederlanden. Vanuit het Duitse rijk kwamen er vanaf 1540 grotere zilveren munten, daalders, die daarna ook in de Nederlanden geslagen werden. Maar de Spaanse oorlog tegen Frankrijk kostte de Nederlanden veel geld en het harde optreden tegen de protestanten, de inquisitie, kreeg steeds meer weerstand. De Nederlanden kwamen in opstand en in 1568 begon de 80 jarige oorlog. Na een hoop gedoe sloten de Zuidelijke Nederlanden in 1579 een pact met Spanje, terwijl de Noordelijke Nederlanden zich verenigden in de Unie van Utrecht met als doel om de Spanjaarden te verjagen. Al in 1576 waren de opstandige Noordelijke Nederlanden begonnen met het slaan van eigen daalders als tegenhanger van de Spaanse daalders. Willem van Oranje probeerde de boel weer te verenigen, maar 2 dagen voordat hij in 1584 werd ingehuldigd als graaf van Holland werd hij vermoord. Het was een turbulente eeuw. In dit hoofdstuk vind je er meer over en ook wat men met daalders en ander zilvergeld kon doen.

17e eeuw

Eind 16e eeuw richtten de noordelijke Nederlanden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op en ze verjoegen de Spanjaarden een heel eind naar het Zuiden. Het was het begin van de gouden eeuw waarin de handel en economie opbloeide. Ook een tijd waarin kunst en wetenschap veel aandacht kregen. Helaas ook oorlog en slavernij. Stedelijke munthuizen verdienden goed door munten om te smelten en nieuwe munten te slaan die net wat minder zilver bevatten. Om daar paal en perk aan te stellen introduceerde de republiek een nieuw muntstelsel met zilveren rijders en dukaten. Mede dankzij het zilver van de buitgemaakte zilvervloot door Piet Hein kon de Republiek de oorlog winnen en kwam er vrede in 1648. Het leven tijdens deze gouden eeuw was ontzettend duur. Bijna alle inkomsten werden opgeslokt door de eerste levensbehoeften. De oorzaak was gelegen in de torenhoge belasting op voedsel, kleding en brandstof. De rijke regenten en kooplieden betaalden over hun hoge winsten zo goed als geen belasting. Het volk draaide op voor de kosten van het grote huurleger en de vloot om de vrede in stand te kunnen houden. In dit hoofdstuk vind je meer informatie over hoe duur het toen was.

18e eeuw

De 18e eeuw was voor de Republiek een relatief rustige periode. Ook qua muntslag, omdat zilver sterk in prijs gestegen was. Het loonde bijna niet. Pas na 1765 ging de zilverprijs flink omlaag en werden er weer op grote schaal guldens, dukaten en drie-guldens aangemunt. De Zuidelijke Nederlanden bleven na de splitsing in 1648 tot rond 1700 een ‘buitenpost’ van Spanje en werden daardoor meegesleurd in allerlei oorlogen. In 1700 overleed de kinderloos gebleven Spaanse koning Karel II en na wat strubbelingen kwamen de zuidelijke Nederlanden in 1713 in Oostenrijks bezit en werden het de Oostenrijkse Nederlanden. In 1755 kwam keizerin Maria Theresia met een munthervorming en introduceerde de zilveren thaler of kroon die in grote getalen geslagen werd. Na de Franse revolutie in 1789 werden een paar jaar later de Oostenrijkse Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd en veroverden de Fransen ook de Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en de Republiek werd onder de naam Bataafse republiek een vazalstaat van de Franse republiek. In dit hoofdstuk vind je meer informatie over hoe duur het leven in de 18e eeuw was.

19e eeuw

In 1806 benoemde Napoleon zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Veel munten zijn er niet geslagen in dit Koninkrijk Holland. Na terugtrekking van de Franse troepen in 1813 ontstond in 1815 het Koninkrijk der Nederlanden dat bestond uit het huidige Nederland, België en Luxemburg.  Willem, de zoon van de laatste stadhouder, werd in 1815 koning der Nederlanden. De gulden bleef de standaard, maar deze werd voortaan opgedeeld in 100 centen in plaats van 20 stuivers. De muntslag bleef redelijk beperkt door de hoge prijs van zilver, waardoor het vaak sterk gesleten muntgeld uit de 17e en 18e eeuw bleef circuleren. In 1830 splitste België zich af van Nederland. Pas tussen 1840 en 1850 was de regering onder Willem II in staat om al het oude geld om te wisselen voor nieuw geld en uit de omloop te halen. In 1850 ging Nederland over op de zilveren standaard, waarbij de intrinsieke waarde (de zilverwaarde) gelijk is aan de nominale waarde (wat er op de munt staat). Dat is vaak lastig vol te houden, omdat zilverkoersen fluctueren. Rond 1873 werd de goudprijs gestandaardiseerd, waardoor Nederland en de meeste andere landen overgingen op de gouden standaard. De intrinsieke waarde van de zilveren munten werd gaandeweg lager dan de nominale waarde, maar dat was geen probleem, omdat de nominale waarde werd gegarandeerd door de vaste goudprijs.

20e eeuw

Na de eerste wereldoorlog liep de zilverkoers sterk op en werd het zilvergehalte in munten verlaagd. Door de crisis in de jaren na 1930 daalden vele valuta’s in waarde en kon men de garantie om deze om te wisselen in gouden standaardmunten niet vasthouden. Voortaan konden koersen zweven en dat bracht een zekere mate van stabiliteit. Totdat de 2e wereldoorlog het geldsysteem plat legde tussen 1940 en 1945. In die jaren gebruikte men vooral zinken geld en bankbiljetten. Na de oorlog moest al het papiergeld worden ingeleverd en kreeg ieder gezinshoofd een nieuw biljet van 10 gulden (het tientje van Lieftinck). Pas in 1954 kon men in Nederland weer zilveren munten slaan. Eerst de gulden, later de rijksdaalder. Maar door de gestegen zilverprijs, werden deze munten kleiner dan hun vooroorlogse voorgangers. Tot eind jaren 60 kon men met behulp van de Verenigde Staten de zilverprijs constant houden. Daarna lukt dat niet meer en waren bijna alle landen genoodzaakt om te stoppen met zilveren munten. Daarom eindigde rond 1970 een bijzondere periode van zo’n 700 jaar waarin er sprake was van een geldeconomie met zilveren munten. Per 1 januari 1973 werden de zilveren munten buiten omloop gesteld. Einde van een zilveren tijdperk.