Zilveren munten in de 20e eeuw

Koopkracht tabel met enkele denominaties. Een gulden had in 1900 bijvoorbeeld een koopkracht vergelijkbaar met €13 in 2020. Maar in 1975 was een gulden nog maar € 1,40 waarde. Ofwel een forse inflatie. Gelukkig namen de inkomens snel toe. Vanaf 2-3 gulden per dag begin 1900 tot 40-60 gulden of meer per dag in 1975. Daarmee nam ook de welvaart snel toe in die periode. Wel onderbroken door flinke crisissen in de jaren 30 en de 2e wereldoorlog.

Wilhelmina was koningin der Nederlanden van 1890 tot 1945. Voor het eerst waren de stuivers niet meer van zilver, maar van nikkel. Het dubbeltje (dubbele stuiver) van 10 cent was nu de kleinste zilveren munt. Rond 1900 kocht je voor 10 cent één brood of 250 gram suiker. Voor 10 cent kon je ook twee keer het Rotterdamse dagblad ‘De Maasbode’ kopen of één kaartje voor de witte bioscoop op het Damrak. En als je nog wat geld over had kon je bij lunchroom Het Koffieuurtje in Amsterdam een broodje haring voor 25 cent kopen. Theaters waren relatief voordelig. Voor datzelfde kwartje kon je soms al een kaartje voor de goedkoopste rang kopen. Maar de betere kaartjes konden oplopen tot meer dan een rijksdaalder. Bij wijnhandel Wennekendonk in Amsterdam kocht je in die tijd een fles wijn uit Bordeaux voor 62,5 cent.

Hoe zat het begin 1900 met de inkomens? In 1917 verdiende een metaalarbeider in een machinefabriek ƒ 20,- per week. Een bootwerker en bakkersknecht (deegmaker) ontvingen f 18,- per week. Een arbeider bij de meelfabriek Ceres kwam op ƒ 15,- en een sigarenmaker op ƒ 13,- per week. Metselaars en timmerlieden verdienden weliswaar iets meer dan deze arbeiders, maar daar staat tegenover dat hun bestaan onzekerder was en zij meer met uitval van werkuren te maken hadden.  Een bescheiden kantoorbaan, zoals kassier (tweede klasse) leverde in 1914 te 's-Gravenhage ƒ 27,88 tot ƒ 36,25 op, afhankelijk van het aantal dienstjaren. Een boekhouder der 1e klasse verdiende ƒ 37,50 tot ƒ 48,75 per week, rond tweemaal zo veel als een timmerman of metselaar. Vrouwen verdienden minder dan mannen. Het dagloon van een werkster lag rond 1908 op ongeveer ƒ 1,- en in 1913 op ƒ 1,20. Een handwerkster in de kledingindustrie verdiende in 1917 zes tot tien gulden per week en een appreteuse in het dameshoedenvalk vijf tot acht gulden. Om rond te kunnen komen als gezin met een paar kinderen had je minimaal zo'n 20 gulden nodig per week. Daarvoor huurde je een kleine woning met keuken, woonkamer en twee slaapkamertjes. Men at dan met name aardappelen, bruine bonen, rijst en brood. Af en toe wat vlees, vet of vis. Ook kon men daarvoor koffie, thee en melk drinken met af en toe een koekje erbij. Bij een inkomen van 30 gulden per week was er meer ruimte voor luxe, zoals de meeste dagen wat vlees of spek, meer groente, een krant en een tijdschrift en men kon zich een rijwiel permitteren. Kleding was vaak een sluitpost. Men reserveerde doorgaans één of enkele tientjes per jaar voor kleding, terwijl één paar schoenen als snel 10 gulden kostte. In de jaren 20 zou de welvaart verder toenemen, totdat de crisis in de jaren 30 roet in het eten gooide. 

Producten als kaas, rijst en koffie werden in de eerste decennia snel duurder. Rond 1900 betaalde je voor een kilo kaas nog 40 cent, maar in 1915 was dat gestegen tot f 1,15. Voor een halve gulden kreeg je in die tijd ook een manicure bij een dameskapper.

Na de eerste wereldoorlog liep de zilverkoers sterk op en was het niet rendabel om zilveren munten te slaan in Nederland. Pas vanaf 1922 kwam dit weer op gang, maar wel met een lager zilvergehalte. De laatste grote zilveren munten die algemeen in omloop kwamen waren de rijksdaalders van Wilhelmina met opgestoken haar die werden geslagen tussen 1929 en 1943. De waarde van een rijksdaalder was in die tijd ongeveer gelijk aan 20 euro. Voor een rijksdaalder kocht je in 1929 bijvoorbeeld twee liter Cinzano Vermouth bij de Bijenkorf of een kistje met 3 kilogram asperges bij Cornelis de Bruijn in Bergen op Zoom.

Door de crisis in de jaren na 1930 daalden vele valuta’s in waarde en kon men de garantie om deze om te wisselen in gouden standaardmunten niet vasthouden. In 1936 liet Nederland deze standaard los. Voortaan konden koersen zweven en dat bracht een zekere mate van stabiliteit. In 1938 boden restaurant als City Hall en Stadt Schänke in Amsterdam diners aan voor rond de 1 gulden per persoon. Daarvoor kreeg je dan: Paté de foie de Veau en Gelée, Toast Melba, Consommé Minestro, Kalfsvleesch-pasteitjes, Ossenhaas garni, Pommes Rissolés en Mokka Parfait. Wijn was te koop vanaf f 1,25 per fles bij H.B. de Beer in Amsterdam. De huur van een woning was eind jaren 30 ongeveer 35 gulden per maand voor een middenstandswoning tot 80 gulden per maand voor een luxe woning. Best prijzig allemaal met een arbeiders inkomen van 25-30 gulden per week. Zeker na de welvarende jaren 20 waren de jaren 30 met stijgende prijzen en stagnerende inkomens geen luxe.

De 2e wereldoorlog legde het geldsysteem plat tussen 1940 en 1945. In die jaren gebruikte men vooral zinken geld en bankbiljetten. Ook Duits geld was in die jaren geldig. De Duitsers hebben de geldpers flink laten draaien, waardoor er veel te veel geld in omloop was. Een geldsanering was na de oorlog nodig. Na de oorlog moest al het papiergeld in 1947 worden ingeleverd en kreeg ieder gezinshoofd 10 nieuwe guldens (in biljetten van 1 en 2,5 gulden gedrukt in Londen). Het tientje van Lieftinck. Het zinken kleingeld werd langzaam uit omloop gehaald tot 1952. In Amerika was veel zilveren Nederlands kleingeld geslagen in de oorlog met geleend zilver van de Amerikanen. Maar dat verdween snel uit de omloop. Logisch met al dat zinken geld. Daarom stuurde Nederland het grootste gedeelte terug naar Amerika om de zilver schuld af te betalen. 

Kort na de oorlog was het het aanbod van munten en penningen groot en de vraag klein. Voor 12 gulden kocht je in 1947 een gouden tientje en voor 35 gulden kon je een mooie 3-gulden kopen van Willem I. Op een veilig van Schulman werd een gulden 1867 verkocht voor 80 gulden.

Vanaf 1948 werden weer Nederlandse munten geslagen, maar dat bleef nog beperkt tot brons en nikkelen kleingeld. Overigens voor het laatst met het portret van Wilhelmina. Na de oorlog was er werk genoeg, maar het inkomen laag. Rond 1948 verdiende je als magazijnmedewerker, telegrambezorger, loopjongen of hulp in de huishouding ongeveer 4 á 5 gulden per dag. De KLM bood in 1948 vluchten aan van Amsterdam naar Twente, Groningen, Leeuwarden en Maastricht voor 28 tot 38 gulden voor een retour. Een weekloon in die tijd voor een arbeider! Een goedkoper tripje in die tijd was een dagtocht naar Valkenburg per dieseltrein met Cebuto reisbureau voor 12 tot 15 gulden inclusief entree's, diner en consumpties. Luxe artikelen waren schaars na de oorlog, maar in 1950 bood Jamin weer chocolade hagelslag aan voor 18 cent per ons.

Pas in 1954 kon men in Nederland weer zilveren munten slaan. Eerst de gulden, later de rijksdaalder. Maar door de gestegen zilverprijs, werden deze munten kleiner dan hun vooroorlogse voorgangers. In 1956 betaalde je voor een pakje Golden Fiction sigaretten 80 cent. Een elektrisch scheerapparaat van Riam met tondeuse kostte f 63,50. Kon ook betaald worden in 6 maandtermijnen van f 10,50. Voor een liter Claeryn jenever dubbelgebeid betaalde je f 6,80 (excl. fles). 

Tot eind jaren 60 kon men met behulp van de Verenigde Staten de zilverprijs constant houden. Daarna lukt dat niet meer en waren bijna alle landen genoodzaakt om te stoppen met zilveren munten. In Nederland zijn tot 1967 zilveren guldens geslagen. In 1970 en 1973 nog zilveren tientjes, maar die kwamen maar beperkt in omloop. 

In 1969 was er veel behoefte aan typistes. Interlance Uitzendbureau uit Amsterdam zocht typistes voor 5 gulden per uur en stenotypistes voor 6,75 gulden per uur. Een werkster moest het doen met f 3,75 per uur. Douwe Egberts introduceerde zilvermerk gemalen koffie voor f 1,95 per pak van 250 gram. Voor een overnachting in een pension in Zuid-Limburg betaalde je tussen de f 7.50 en f 15.- per persoon. Transistorradio's waren nieuw en populair. Voor een goedkoop zakformaat voor de middengolf én voor Veronica betaalde je f 14,90 incl. batterijen en oortelefoon.

In Nederland zijn later nog zilveren 10-gulden en zilveren 50-gulden stukken geslagen. Ook zilveren 5- en 10-euro stukken komen voor. Maar deze spelen niet of nauwelijks een rol in de muntcirculatie en worden met name gekocht door verzamelaars of beleggers in zilver. Daarom kunnen we wel stellen dat in 1970 een bijzondere periode eindigde waarin er sprake was van een geldeconomie die sterk gebaseerd was op de intrinsieke waarde van de onderliggende munten. Per 1 januari 1973 werden de zilveren munten buiten omloop gesteld. Einde van een tijdperk met zilveren munten.

Hieronder staan wat voorbeelden van zilveren munten uit de 20e eeuw. Linksboven de dubbeltjes en kwartjes uit de diverse perioden van Wilhelmina. Links daarvan de halve guldens. Daaronder de guldens en rijksdaalders van Wilhelmina en Juliana. Rechtsonder staat het zilveren tientje uit 1973.