Zilveren munten in de 19e eeuw

Koopkrachttabel met enkele denominaties. Een gulden had in 1850 bijvoorbeeld een koopkracht van €10 in 2020. De koopkracht was lager dan in de 18e eeuw, maar het gemiddelde dagloon van een vakman blijft een groot deel van deze eeuw steken op ongeveer 20 tot 30 stuivers of 1 tot 1,50 gulden per dag. Dat was geen vetpot! Pas eind 19e eeuw gingen de lonen omhoog naar 2 tot 3 gulden per dag,

In 1806 wilde keizer Napoleon meer grip op zijn ‘bondgenoten’ en benoemde Napoleon zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Veel munten zijn er niet geslagen in het Koninkrijk Holland. Alleen de 50 stuiver 1808 is daadwerkelijk in omloop geweest. Het was de eerste Noordnederlandse munt in twee eeuwen die weer het portret van een vorst droeg. Ook werden in het Utrechts munthuis, dat toen één van de 16 Franse munthuizen was, enkele jaren Franse franken geslagen in kleine oplages. Na terugtrekking van de Franse troepen in 1813 ontstond in 1815 het Koninkrijk der Nederlanden dat bestond uit de oude Republiek, de Oostenrijkse Nederlanden, prinsbisdom Luik en groothertogdom Luxemburg. De zoon van de laatste stadhouder, Willem, werd in 1815 koning der Nederlanden. 

In een huishoudboekje uit 1815 van de gravin of lady Athlone uit Amerongen staat onder andere dat voor het schoonmaken een stoffer 14 stuivers kostte en een zemelap 30 stuivers. Op de markt betaalde je voor een witbrood van 3 pond 9 stuivers, een pond rundvlees 6 stuivers, gerookte zalm 30 stuivers per pond en koffiebonen 24 stuivers per pond. Bier had je al voor 2 stuivers per fles en een fles brandewijn voor 1 gulden en 2 stuivers. Voor de maaltijden voor het uit 10 personen bestaande personeel had men per week 48 gulden nodig. Dat komt neer op 14 stuivers per persoon per dag. En daarmee kregen ze bijna elke dag vlees en groenten wat voor die tijd een grote luxe was bij personeel. Het is niet bekend welk loon ze daarnaast nog kregen.

Vanaf 1818 werden er in Utrecht en Brussel munten geslagen op naam van koning Willem I. De gulden bleef de standaard, maar deze werd voortaan opgedeeld in 100 centen in plaats van 20 stuivers. De muntslag bleef redelijk beperkt door de hoge prijs van zilver, waardoor het sterk gesleten muntgeld uit de 17e en 18e eeuw bleef circuleren. Onder Willem I werden voor het eerst stuivers geslagen waarop 5 C(ent) was afgebeeld. Voor zo'n stuiver kocht je indertijd 1 liter bier of 2 eieren. Voor een brood of 250 gram roomboter betaalde je 15 cent. Voor een kwartje van 25 cent kocht je een pond kaas of pond vlees op de Utrechtse markt. Suiker was nog een luxe. Voor één kilo moest je maar liefst een hele gulden betalen. Voor een gulden kon je ook bij boekhandelaar W. Linders in Rotterdam in 1825 een gezelschapsspel kopen met 12 gekleurde kaartjes.

Geografische indeling van de Nederlanden in de 19e eeuw

In 1815 werden de Noordelijke én Zuidelijke Nederlanden verenigd.

In 1830 werden België en Luxemburg onafhankelijk van Nederland

In 1830 splitste België zich af van Nederland en ging eigen munten slaan; de Belgische frank. De koers van de frank was indertijd ongeveer een halve gulden. In 1839 kwam de eerste spoorlijn in Nederland. Het was in het begin een dure manier van reizen. Een treinkaartje van Amsterdam naar Haarlem kostte maar liefst 65 cent. Dat gold ook voor het verzenden van telegrammen via morse wat vanaf 1852 mogelijk was. Dat kostte tenminste één gulden; het dagloon van een arbeider. Gewone postbezorging van Nederland naar België kostte in die tijd 10 cent per 15 gram. Treinkaartjes en telegrammen werden wel snel voordeliger.

 

In 1840 werd de gulden iets lichter, zodat het zilver in 10 zilveren guldens evenveel waard was als het goud in een gouden tientje. Daarnaast werd de 3-gulden afgeschaft en kwam de rijksdaalder weer terug. De regering wilde graag al het oude en gesleten muntgeld uit de 17e en 18e eeuw vervangen, maar er was geld nodig om dit tegen nominale waarde om te kunnen wisselen. Bijna alle oude stuivers, schellingen, florijnen, guldens, dukaten en daalders waren te licht door slijtage of snoeien. Pas vanaf 1845 was er voldoende geld om stapsgewijs al het oude provinciale geld uit de handel te halen en te hermunten in nieuwe guldens en rijksdaalders. Bijna 30% bestond toen nog uit Zeeuwse dukaten die door hun overwaardering van 52 stuivers zeer gangbaar waren in de Nederlanden. Als laatste werden in 1848 de schellingen uit de omloop gehaald. In 1850 ging Nederland over op de zilveren standaard. Daarbij is de waarde van een munt gekoppeld aan de zilverprijs. Ofwel, de intrinsieke waarde (de zilverwaarde) is dan gelijk aan de nominale waarde (wat er op de munt staat). Dat is vaak lastig vol te houden, omdat zilverkoersen fluctueren. Zo was de Nederlandse gulden in Nederlands-Indië meer waard dan de nominale waarde van een gulden, omdat de zilverprijs in de Oost hoger lag. Omsmeltpraktijken waren dan ook aan de orde van de dag. 

In de tijd van Willem II (1840-1849) kocht je voor 20 cent een brood of een half pond roomboter. Voor een halve gulden kocht je een kilo suiker of kilo hamlappen. Dat was dan wel een half dagloon van een arbeider. Voor één gulden kocht je in 1845 een pond kaarsen bij J. Oorband in Arnhem. In Leiden kon je voor 45 cent een rekenboek kopen voor de hoogste klas van de lagere school. Voor een medisch studieboek met 40 gekleurde afbeeldingen moest je f 2,50 betalen. En mocht je wat geld over hebben, dan kon je voor een rijksdaalder twee kaartjes 2e rang kopen voor een concert in het Odeon in 1845 in Amsterdam. 


Rond 1873 werd de goudprijs gestandaardiseerd, waardoor Nederland en de meeste andere landen overgingen op de gouden standaard: het gouden tientje en het gouden twintig frankstuk. De intrinsieke waarde van de zilveren munten werd gaandeweg lager dan de nominale waarde, maar dat was geen probleem, omdat de nominale waarde werd gegarandeerd. 


Uit een overzicht blijkt dat een geschoolde arbeider met 5 kinderen, werkzaam in een machinefabriek in Amsterdam in 1852 per week ongeveer 10 gulden inkomen had. Per week gaf hij uit aan huur f 0,90, aan brood en beschuit f 3,64, aan aardappelen f 1,32, aan overige voedingsmiddelen f 3,03 en f 0,63 aan andere zaken. Het was geen vetpot; eind negentiende eeuw klaagde een houtzagersknecht met drie kinderen over dure kleren. ‘Als ik, of een der mynen een jas, broek of ander kledingstuk, moet hebben, gebeurt het wel dat ik 10 of 12 gulden voorschot vraag van de patroon.’ De weken erop betekende dit ‘hongerlyden’. ‘In zulke dagen eten wy droog brood

Tijdens Willem III (1849-1890) werden voor het laatst zilveren stuivers geslagen. Daarna werden ze van nikkel gemaakt. Een einde van een eeuwenlang tijdperk van zilveren stuivers! Overigens waren die laatste zilveren stuivertjes al wel erg klein en licht, zoals de zilveren penningen in de 14e eeuw. Evengoed kon je voor zo’n stuivertje nog een liter bier of kilo aardappelen kopen. Vlees was duurder geworden. Voor een halve gulden kreeg je nog slechts een pond hamlappen. Inkomens bleven steken op ongeveer één gulden per dag. Dat was ook de weekhuur van een eenvoudige woning in Amsterdam. Bij G. Theod. Bom in Amsterdam werd in 1861 een uitgebreide munten- en penningen veiling gehouden. De catalogus kon aangevraagd worden voor één gulden. Voor 10 tot 15 gulden kon je in 1865 met de stoomboot van Rotterdam naar Londen (General Steam Navigation Company). Bij apotheker Uloth op de Zeedijk kocht je voor een rijksdaalder in 1865 twee doosjes cigarettes espic, speciale sigaartjes, die bij inhaleren hielpen tegen ziekten der ademhalingsorganen (...) en als je je dan nog niet lekker voelde, dan kon je in 1870 bij Johan Hoffs op de Smalle Bloemmarkt in Amsterdam voor 50 cent een fles Maltz-Extract kopen. Goed tegen vele kwalen. 

Voor de meer welgestelden ontstonden er eind 19e eeuw luxe restaurants. Voor een culinair diner betaalde je in 1890 twee gulden per persoon bij Hotel Insulinde in Zandvoort. Op 8 maart 1890 gaf de vereeniging Ernst en Luim een uitvoering in Apeldoorn. Tickets 10 cent. In Apeldoorn kon je ook een nette woning huren aan de boomkwekerij van J. Bijzen voor 90 cent per week. Bij H. van den Bold aan de Asseltscheweg huurde je een grote woning met 6 kamers en tuin voor f 175,- per jaar. in 1895 kocht je bij wijnhandel Vierdag op het stationsplein in Apeldoorn een fles bordeaux-listrac voor f 0.65 en een Prowirodjojo of Javaansche knaksigaar kocht je de tien voor 25 cent.

Hieronder staan wat zilveren munten uit de 19e eeuw afgebeeld. Linksboven de dubbeltjes van Willem I, Willem II, Willem III en Wilhelmina. Rechts de stuivertjes. Daaronder de halve guldens en kwartjes. Op de onderste twee rijen zie je de guldens en rijksdaalders. Linksonder ook nog de 50 stuiver van Lodewijk Napoleon uit de Franse tijd.