Zilveren munten in de 18e eeuw

Koopkracht tabel met enkele denominaties. Een stuiver had in 1775 bijvoorbeeld een koopkracht vergelijkbaar met €0,45 in 2020. In de 18e eeuw bleef de koopkracht ongeveer gelijk. Het dagloon van een vakman bleef ook de hele eeuw ongeveer 20 stuivers per dag, meestal uitbetaald in schellingen en guldens.


Een affiche op de markt in Roermond van 25 maart 1701 verkondigde: "prijzen voor het beste hamelvlees 4 1/2 stuiver, slechter 4 st. Best rundvlees 4 st., middelbaar 3 st., slechter 2 3/4 st. Best kalfsvlees 3 1/2 st., middelbaar 2 1/2 st., slecht 1 3/4 st. Een pot best bier kostte 2 st., slechter 1 st., 1 pond droge stokvis 4 st., een pond beste boter op de markt 4 1/2 st., de nadere boter 3 1/2 st., in de burgerwinkels 5 1/2 st., een "veerdel eyer" 7 st., een pot olie 14 st., een kop zout 14 st. Zalm 10 stuivers."

Rond 1725 werden in Brazilië grote goudvoorraden ontdekt die een daling van de goudprijs op de wereldmarkt veroorzaakten. In de Republiek kwamen daardoor na een eeuw van vrijwel uitsluitend zilveren munten, de gouden munten opnieuw in de omloop. Oude gouden dukaten die door slijtage of snoeien te licht waren geworden werden door de Staten-Generaal opgekocht voor de volle koers om te munten tot gouden dukaten en gouden rijders van 14 gulden. Maar nu wel met een kartelrand tegen het snoeien. Na 1765 maakte de lage zilverprijs het weer mogelijk dat er in grote aantallen guldens en drieguldens aangemunt konden worden. De productie van zilveren dukaten en zilveren rijders (ducatons) waren vooral voor de buitenlandse handel met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) als een grote afnemer. Alleen de Zeeuwse dukaten circuleerden veel in de Republiek, omdat de koers van 52 stuivers gegarandeerd werd. 

De Zuidelijke Nederlanden bleven na de splitsing in 1648 tot rond 1700 een ‘buitenpost’ van Spanje en werden daardoor meegesleurd in allerlei oorlogen. In 1700 overleed de kinderloos gebleven Spaanse koning Karel II en na wat strubbelingen kwamen de Zuidelijke Nederlanden in 1713 in Oostenrijks bezit en werden het de Oostenrijkse Nederlanden. In de eerste helft van de 18e eeuw was er weinig aanmunting en circuleerden er vooral Franse munten, omdat die een voordeliger koers hadden. In 1755 kwam keizerin Maria Theresia met een munthervorming en introduceerde de zilveren thaler of kroon die in grote getalen geslagen werd. Zelfs na haar dood in 1780 bleven ze de Maria Theresia Thaler in Oostenrijk slaan met het jaar 1780. De munt circuleerde veel in de Oostenrijkse Nederlanden en later ook in grote delen van Europa, Midden-Oosten en Afrika. De munt (met jaartal 1780) wordt nog steeds geslagen! Vreemd genoeg heeft de munt nooit echt gecirculeerd in de Republiek.

In 1710 kreeg een boerin 4 stuivers voor een pond boter. In 1750 was dit opgelopen tot 6 stuivers. Voor een hectare land betaalde men in 1750 ongeveer 300 gulden. Voor één gulden kon je 16 liter tarwe kopen waar je zo’n 16 broden van kon maken. Het maandloon van een scheepstimmerman rond 1770 varieerde tussen 25 en 50 gulden, afhankelijk van de hoeveelheid werk. Daarvan moesten de kosten voor het materiaal meestal nog worden afgetrokken. Uit een Brummense rekening uit 1750 is bekend dat een dakdekker in de winter zestien stuivers per dag verdiende en in de zomer achttien. Eén liter bier was toen al twee stuivers. De prijzen van graan bleven landelijk tot in het eerste kwartaal van de negentiende eeuw stijgen. Dit had ook in de regio Zutphen grote gevolgen voor de bevolking. Een gezin was soms meer dan driekwart van het inkomen kwijt aan het kopen van brood!

Geografische indeling van de Nederlanden in de 18e eeuw

Rond 1713 kwamen de Spaanse Nederlanden in Oostenrijks bezit en werden de Oostenrijkse Nederlanden.

In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd. Even later ook de Republiek die een vazalstaat van Frankrijk werd. 

Om een beroep uit te kunnen oefenen, moest je je inschrijven bij een gilde. Het inschrijfgeld verschilde van stad tot stad. Om lid te worden als meesterkoper van een kramersambacht moest je in Maastricht 34 gulden 6 stuivers betalen. Dat bedrag was overigens hetzelfde van begin 1600 tot 1795. Voor andere ambachten moest vaak een meesterproef worden afgelegd. Voor sommige ambachten moest grof meer betaald worden. De kleermaker, hovenier, schipper en smid moesten resp. 35, 36, 80 en 120 gulden betalen. Het inschrijfgeld voor goudsmid was in de 18e eeuw in Maastricht 282 gulden en voor brouwers maar liefst 800 gulden, ongeveer drie jaarlonen! Bij een gemiddeld dagloon van 20 stuivers waren de meeste inschrijfgelden tussen ruim een maand en vier maanden loon. Een fors bedrag, maar niet onoverkomelijk. Lastiger was het om aan kapitaal te komen als je een winkel wilde beginnen. Kramer Nicolaes Solders kocht in 1741 bij openbaar opbod een huis in de Hoogbrugstraat te Maastricht voor 3.910 gulden. De prijzen van winkelpanden varieerden tussen 2.800 gulden en 10.000 gulden. Een alternatief was om een winkelpand te huren voor prijzen die varieerden van 120 tot 240 gulden per jaar. Dat was fors duurder dan huizen met alleen een woonbestemming. Die hadden een huurprijs van rond de 50 gulden per jaar. Koopman Sebastiaen Paes verhuurde in 1741 een bescheiden winkelpand in de Muntstraat te Maastricht voor 136 gulden per jaar. 

In 1775 kocht een zekere heer Barends een kaartje voor de trekschuit van Gouda naar Amsterdam voor 2 gulden en 8 stuivers in het luxere gedeelte (de roef) bij kastelein Jan Willem van Sweeringen van het Amsterdamse Veerhuis in Gouda. Daarvandaan vertrok de trekschuit. Een kaartje voor het ruim kostte 15 stuivers. Daar kwam dan nog 1 stuiver bij voor een zitplek en 2 stuivers voor een kussen. Er konden 28 mensen mee in het ruim en 4 in de roef. De ticketprijs was inclusief 5 stuivers voor de tol onderweg. 
Om te reizen met bagage kon je ook gebruik maken van een sjees (licht rijtuig met twee paarden voor twee passagiers en beperkt laadvermogen) of een berline (koets met vier wielen, vier paarden en geschikt voor vier tot zes passagiers). Een Sjees kostte rond 1780 ongeveer 1 gulden 10 stuivers per uur. Een berline kostte 3 guldens per uur. Een rit van Maastricht naar Luik duurde vier-vijf uur en kostte 6 gulden per sjees of 12 gulden met een berline. Een rit naar Bergen op Zoom duurde 30 uur en kostte zo’n 90 gulden per berline. Alleen transport van goederen kon natuurlijk ook. Om goederen te vervoeren per dilligence van Brussel naar Maastricht kostte rond 1780 tussen 2 gulden 2 stuiver en 3 gulden per 100 pond.

Na de Franse revolutie in 1789 kwamen ook de Zuidelijke Nederlanden in opstand tegen de Oostenrijkse overheersing. In 1798 verklaarde de nieuwe Franse Republiek de oorlog aan de Oostenrijkse monarchie. In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd en veroverden de Fransen ook de Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en de Republiek werd onder de naam Bataafse republiek een vazalstaat van de Franse republiek. De muntslag bleef vrij rustig, behalve dan een aanmunting van 100.000 gulden aan scheepjesguldens voor Bataafs Indië na 1800. 

In 1795 rekende een chirurgijn gemiddeld 4 schelling voor een visite en 2 schelling voor medicamenten.

 

In 1792 vond een 2e hands inboedelverkoop plaats. een paar opbrengsten waren: tafels rond de 2 gulden, stoelen 1 tot 2 gulden, een grote kast 9 gulden, een ijzeren ketel 2 gulden en een koperen ketel 29 gulden.  Een spiegel ging weg voor 2 gulden 2 stuivers, vier schilderijen samen voor 11 stuivers, een grote soepkom voor 2 gulden 5 stuivers en een suikerschoteltje voor 13 stuivers.

Voorbeelden van zilveren munten uit de 18e eeuw

A) Vier stuivers: Holland 1733, Zeeland 1731, Overijssel 1739 en Utrecht 1739. Boven de kopkant en onder de muntkant.
B) Vier dubbele stuivers: West Friesland 1718, Gelderland 1785, Utrecht 1787 en Holland 1727. Boven de kopkant en onder de muntkant.

C) Scheepjesschelling van 6 stuivers West Friesland 1730.
D) Scheepjesschelling van 6 stuivers Utrecht 1764.
E) Halve gulden of 10 stuivers Holland 1749.
F) Halve gulden of 10 stuivers Holland 1751.

G) Gulden (20 stuivers) Utrecht 1792.
H) Halve zilveren rijder (30 stuivers) Utrecht 1784.
I)  3-gulden (60 stuivers) Utrecht 1793.