Zilveren munten in de 17e eeuw

Koopkracht tabel met enkele veel voorkomende denominaties. Een gulden had in 1625 bijvoorbeeld een koopkracht vergelijkbaar met €12,60 in 2020.

Het dagloon van een vakman was gemiddeld:

·         In 1600 ongeveer 10 stuivers per dag, meestal uitbetaald in 1/5e Philipsdaalders.

·         In 1625 ongeveer 15 stuivers per dag, meestal uitbetaald in schellingen van 6 stuivers.

·         In 1675 ongeveer 20 stuivers per dag, meestal uitbetaald in schellingen van 6 stuivers.

In Amsterdam waren de lonen rond 1600 wat hoger dan elders. Voor een volwaardige arbeidskracht was het dagloon ongeveer 14 stuivers en omstreeks 1650 ongeveer 20 stuivers. Vrouwen verdienden minder dan mannen. Een ervaren Haarlemse bleekmeid verdiende in 1601 niet meer dan 8 stuivers per dag, het loon van een slecht betaalde ongeschoolde arbeider. Dat loon liep op naar zo’n 12 stuivers per dag in 1650. In 1610 kostte een Roermondse pot bier (1,4l) bier ongeveer 1 stuiver. Rond 1625 kon men voor een duit (1/8e stuiver) een appel of een ei kopen, voor 2 stuivers kocht men een gekleurde aardewerken schaal of een pond kaas en voor een paar schoenen betaalde men 28 stuivers. Suiker was met 24 stuivers per kilo bijzonder duur. Voor hetzelfde geld kocht je bijna een paar schoenen. Een aardewerken pijpje kostte maar 1,5 duit. Het volksvoedsel was roggebrood. Een roggebrood van 12 pond kostte in 1625 6,5 stuivers en daar kon een gezin met drie kinderen twee dagen van eten. Een kan bier kostte 1/2e stuiver.

De jongens in het weeshuis van Woerden kregen in 1630 jaarlijks een nieuw hoofddeksel. Een eenvoudige variant kostte 3 schellingen of 18 stuivers. Voor een meer luxe model werd tot 60 stuivers betaald, ongeveer één zilveren rijder. Voor twee stuivers kocht je in 1636 bij een boekhandel een klein boekje van 16 pagina’s over Reynaert de Vos. Voor een prachtig geïllustreerde Emblemata of Zinne-werck van Johan de Brune de Oude moest 3 guldens en 12 stuivers worden betaald. De Haagse boekverkoper Jan Veely verkocht in 1648 kranten (één vel op folio formaat) voor anderhalve stuiver.

Een bekwaam orgelmaker verdiende aanzienlijk meer dan een gewoon ambachtsman. Vader en zoon Van Hagerbeer renoveerden in 1640 in Haarlem een orgel tegen een dagloon van vier en een halve gulden per dag voor beiden, plus vrije behuizing, vuur, licht en vrijdom van bieraccijns. In Den Bosch, direct daarna, bedong Van Hagerbeer 5 gulden per dag per persoon en dezelfde emolumenten als te Haarlem. De klokkenist van de zeventiende eeuw was bijna altijd ook organist. In de grotere steden beliep zijn jaarinkomen ongeveer f 500.-, vergelijkbaar met dat van een rector van de Latijnse school in die tijd.

In 1646 werd Jan Lijffkoop stadsbode van Breda met een salaris van 80 gulden per maand. In 1650 weet hij zijn honorarium van f 80, - per maand te verdubbelen door twee boden in dienst te nemen voor het sorteerwerk en vervanging. De ontvanger van post betaalde voor de postbezorging en dat was best prijzig. Voor een brief van Amsterdam naar Breda moest in 1650 de geadresseerde in Breda 3 stuivers betalen. Ter vergelijk, rond 1935 betaalde je voor een brief tot 20 gram maar 1 stuiver.

In 1588 besloot men niet langer te zoeken naar een vorst, maar als Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verder te gaan. Met stadhouder Maurits van Oranje, zoon van Willem van Oranje, als gezagvoerder over alle troepen. Maurits joeg alle Spanjaarden weg uit het Noordoosten en ontzette Breda. Daarna bleef het een tijdje rustig. Gedurende de tachtigjarige oorlog was het toezicht lastig en waren er veel munthuizen actief met als enkel doel om winst te maken door munten om te smelten en nieuwe munten te slaan die lichter waren en of een lager gehalte hadden. Zoals in de stedelijke munthuizen van Groningen, Kampen, Zwolle en Deventer. Hagemunterij heette dat. Om hier paal en perk aan te stellen voerden de Zuidelijke Nederlanden vanaf 1612 een nieuw muntstelsel in met o.a. de zilveren dukaton of zilveren rijder van 63 stuivers en zilveren patagon van 42 stuivers. Deze munten waren succesvol en circuleerden al spoedig ook in de Republiek. Het was het begin van de gouden eeuw waarin de handel en economie opbloeide. Ook een tijd waarin kunst en wetenschap veel aandacht kregen. Helaas ook oorlog en slavernij.

Rond 1628 laaide de strijd weer op, waarbij de Noordelijke Nederlanden met het zilver van de buitgemaakte zilvervloot door Piet Hein uiteindelijk de strijd konden winnen. Dat duurde overigens nog wel even, maar in 1648 kwam er met de ondertekening van de Vrede van Münster een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. De Spanjaarden erkenden de onafhankelijkheid van de Republiek. Daardoor ontstond wel een officiële splitsing van de Nederlanden. De Noordelijke Nederlanden die een onafhankelijke republiek vormden en de Zuidelijke Nederlanden die onder vreemd gezag bleven. 

Het leven tijdens deze gouden eeuw was ontzettend duur. Bijna alle inkomsten werden opgeslokt door de eerste levensbehoeften. De oorzaak was gelegen in de torenhoge belasting op voedsel, kleding, brandstof. De rijke regenten en kooplieden betaalden over hun hoge winsten zo goed als niets. Het volk draaide op voor de kosten van het grote huurleger en de vloot. Veel Nederlanders hadden een inkomen dat te laag was om van te kunnen leven, maar te hoog was om dood te gaan. Een smalle bovenlaag had het net iets beter.  In 1658 was het inkomen van een gehuwd predikant zonder kinderen ongeveer 600 gulden per jaar of 12 gulden per week. Een huishoudboekje laat per week zien:


Voeding:

o   Brood: 14 stuivers

o   Boter, kaas, melk, eieren: 1 gulden en 5 stuivers

o   Vlees en vis: 1 gulden en 7 stuivers

o   Rijst, meel, erwten: 5 stuivers

o   Groente en fruit: 6 stuivers

o   Kruiden, zout en olie: 6 stuivers

o   Bier en Wijn: 1 gulden

Huishouden

o   Turf en hout: 15 stuivers

o   Licht: 5 stuivers

o   Schoonmaakartikelen: 9 stuivers

o   Wasvrouw en werkster: 5 stuivers

 

Ook kleding was erg duur. Nu deed men wel veel langer met kleding dan tegenwoordig. Met jassen en overkleding vaak 10 jaar of meer. Zo betaalde je in 1658 voor een mantel (man of vrouw) ongeveer 60 gulden. Een vlieger (lange wijde jurk met korte mouwen) kostte ook zo’n 60 gulden. Een rok kostte 24 gulden. Een hemd kocht je voor 4 gulden en een slaaplaken ook 4 gulden. Een paar schoenen was ongeveer 4 gulden en een hoed 3 gulden.

De trekschuit was een populair vervoersmiddel. Wel langzaam, ongeveer 7 kilometer per uur, maar veel comfortabeler dan per koets. In 1661 duurde de reis van Rotterdam naar Amsterdam bijna veertien uur. Een reiziger die om vijf uur ’s morgens met de trekschuit vertrekt uit Rotterdam moest overstappen in Delft, Leiden, Leischendam en Haarlem en kwam dan om kwart over zes ‘s avonds in Amsterdam aan. De hele reis kostte ongeveer anderhalve gulden. Per koets was wel veel sneller, maar ook duurder. De rit Amsterdam - Den 

Haag koste in 1661 vier gulden en drie stuivers. Dat is meer dan drie keer de ritprijs 

van de trekschuit. De reis over de weg duurde zes uur, terwijl de trekschuit er elf uur over deed. De reiziger die haast had kon ook een postkoets afhuren voor vierentwintig gulden en achttien stuivers.


De prijzen van specerijen gingen in de tweede helft van de 17e eeuw snel omhoog.  Rond 1650 lag de prijs van peper op de Amsterdamse veiling 9 stuivers per pond, in 1666 was dit al opgelopen tot 21 stuivers. Kruidnagelen deden in 1650 3 gulden 3 stuivers per pond, in 1666 al 6 gulden 7 stuivers. Nootmuskaat kostte in 1698 maar liefst 12 gulden per pond. 

 

Vanaf 1659 ging men in de Republiek ook zilveren rijders slaan van 60 stuivers en zilveren dukaten van 50 stuivers die ook wel rijksdaalder werden genoemd. De Republiek maakte in die tijd een ongekende bloei door. Met het dominerende gewest Holland voorop. Munthuizen gingen echter met name na 1673 ook minderwaardig zilvergeld slaan in de vorm van daalders (30st), florijnen (28st) en schellingen (6st) om winst te kunnen maken. Deze verzwakking van het muntstelsel werd al snel aangepakt. Florijnen en schellingen werden geklopt om ze te onderscheiden van minderwaardige exemplaren die in koers verlaagd werden. Met name Zeeland kon veel zilveren dukaten aanmunten, nadat in 1672 de koers kunstmatig verhoogd werd naar 52 stuivers. Men accepteerde die koers ook in de andere provincies, omdat de Staten van Zeeland die hogere koers garandeerden. Vanaf 1694 werd de zilveren gulden de nieuwe standaard en werden de stedelijke munthuizen uitgekocht en gesloten. Hierna brak monetair gezien een rustige periode aan. De muntslag werd bepaald door het aanbod van zilver en goud.

Kerk en overheid organiseerden Latijnse scholen. Het schoolgeld bedroeg in 1675 zo’n 10 tot 12 gulden per jaar. Deftige particuliere scholen kosten al gauw 50 gulden per jaar. Een rector op een Latijnse school verdiende zo’n 800 gulden per jaar. Het respect voor professoren was niet bijster hoog. Hun inkomen was tot 1650 zo'n 400 gulden per jaar en dat was karig, waardoor zij studenten tegen betaling in de kost namen en de afstand tussen professor en student klein was. Om goede hoogleraren aan te trekken tegen wie men opkeek verhoogde Leiden hun inkomen gaandeweg tot 2000 gulden per jaar. Harderwijk bleef achter met 550 gulden per jaar plus vrije woning. Hoewel het leven in Harderwijk goedkoper was dan in Leiden, was 550 gulden per jaar erg karig voor een fatsoenlijk bestaan als hoogleraar. Om leegloop tegen te gaan stegen in 1652 de tractementen tot 750 à 1000 gulden met vrij wonen. Ondanks het goedkope leven in het stadje hielden professoren zonder eigen vermogen studenten in de kost en konden er dan nog geen dienstbode op na houden, zeker

niet voldoende van hun inkomen uittrekken om zich een behoorlijke bibliotheek of

instrumentarium aan te schaffen.


In de gouden eeuw kwamen er al toeristen naar Amsterdam, vooral uit Engeland. Vanuit Harwich voeren er pakketboten naar Hellevoetsluis voor 6 gulden per persoon, bedienden half geld. Overnachten bij particulieren kon al vanaf 2 stuivers per nacht. In 1680 stond aan de Amsterdamse Kamperkade, ongeveer waar nu het Damrak ligt, herberg het Wapen van Stockholm. Een nachtje slapen kostte daar slechts vier stuivers. Dat was goed te betalen, want in die tijd verdiende een ambachtsman ongeveer twintig stuivers per dag. Voor enig comfort, zoals kaarsen, moest wel extra betaald worden. Opvallend genoeg was een maaltijd drie keer zo duur als een verblijf: twaalf stuivers. Het beste logement in de Warmoesstraat was de Liesveldse Bijbel van kastelein Jan Meurs. Een overnachting zonder maaltijd kostte er 12 stuivers. In Het Witte Hart achter de Oude kerk kostte het 2 tot 10 stuivers per nacht, maar daarvoor moest je soms een kamer delen of zelfs een bed. Je kon er wel goed eten, maar aan de dure kant; 15 stuivers voor een maaltijd met bier. De Keizerskroon in de Kalverstraat behoorde tot het wat luxere segment. Voor 5 gulden per week huurde je er een kamer met volpension. Er werden ook veilingen gehouden, zoals de schilderijen van Rembrand na zijn faillissement in 1656. Als je echt op stand wilde verblijven had je het statige Oudezijds Herenlogement op de Grimburgwal waar je 10 gulden per nacht inclusief diner betaalde. 

In het centrum van Amsterdam kon je prima uit eten. Vanaf 5 stuivers voor een eenvoudige maaltijd tot 1 gulden voor een compleet diner met drank. Overdag kon je koffie, thee en chocolade drinken in één van de tientallen koffiehuizen voor 1 stuiver. Desgewenst gezoet met suiker en aangelengd met melk voor 2 duiten extra. Voor 4 duiten kreeg je er een gestopte pijp bij. s’Avonds kon je vertier zoeken in een van de vele speelhuizen. Daar kon je drinken, dansen, sjansen en kaarten. En vaak ging sjansen meer in de richting van prostitutie. Eén van de beroemdste en chicste speelhuizen was het Hof van Holland op de Zeedijk. Bier werd hier geserveerd in flesjes van maar liefst 3 stuivers per fles. De dames van plezier waren vaak jonger en knapper dan de hoeren op straat. Je betaalde er wel 1,5 gulden voor, terwijl een straathoer 1 tot 2 schellingen rekende. In de armere en slechtere wijken zelfs maar 3 of 4 stuivers.

Braver vertier kon je vinden in de schouwburg. Aanplakbiljetten verkondigden wat er te zien was. Een gewoon kaartje kostte 6 stuivers of een schelling. Een kaartje op het balkon kostte 10 stuivers en voor 3 gulden kreeg je een loge. De winst van de schouwburg kwam overigens ten goede aan het Burgerweeshuis en het Oude Mannen en Vrouwenhuis. Ook populair was de Hortus in de Plantage. Een bijzondere artsenij tuin met een internationaal vermaarde collectie van planten en bomen, inclusief een tropische collectie in een kas. Toegang 4 stuivers, inclusief les in medicinale plantkunde. Bij toeristen waren ook de tuchthuizen populair, zoals het rasphuis voor de mannen en het spinhuis voor de vrouwen. Voor slechts 2 stuivers kon men alcoholisten, prostituees en dievegges bewonderen. Voor hetzelfde bedrag had men toegang tot het dolhuis, waar onhandelbare veroordeelden en psychiatrische patiënten zaten 

Voorbeelden van zilveren munten uit de 17e eeuw

A) Vier 2-stuivers (Nijmegen 1688, Gelderland 1679, Overijssel 1619 en Kampen 1680)
B) Keerzijde van de vier 2-stuivers

C) Rijderschelling Utrecht 1688 (6 stuivers)
D) Roosschelling Zeeland 1601 ( 6 stuivers)
E) Arendschelling Kampen ( 6 stuivers)
F) Roosschelling Holland 1601 ( 6 stuivers)

G) Halve florijn van 14 stuivers Friesland 1684
H) Florijn van 28 stuivers Kampen 1618

I)  Zilveren dukaat Holland 1672 ( 50 stuivers)
J) Dukaton of zilveren Rijder West Friesland 166? ( 60 stuivers)