Zilveren munten in de 16e eeuw

Koopkracht tabel met enkele veel voorkomende denominaties. Een daalder had in 1550 bijvoorbeeld een koopkracht vergelijkbaar met €75 in 2020.


Het dagloon van een vakman was gemiddeld:

·         In 1500 ongeveer 5 stuivers per dag, meestal uitbetaald in stuivers en dubbele stuivers.

·         In 1550 ongeveer 8 stuivers per dag, meestal uitbetaald in vierstuiver munten

·         In 1575 zo'n 9 st. per dag, meestal uitbetaald in 1/5e Philipsdaalders van 7 of 8 stuiver.

Keizer Karel V (1500-1558), de zoon van Philips de Schone, was door een reeks sterfgevallen heerser geworden over grote delen van Europa, waaronder alle Nederlanden, het Duitse Rijk, Oostenrijk, Italië en vooral ook de Spaanse troon. En zo ontstonden de Spaanse Nederlanden. Tussen 1506 en 1520 liet Karel V voornamelijk gouden Karolusguldens, zilveren stuivers en dubbele stuivers slaan. Sinds ongeveer 1520 kon men door verbeterde mijnbouwtechnieken veel meer goud en zilver delven. Er kwamen grotere zilveren munten om de kosten van de muntslag zo laag mogelijk te houden, zoals de zilveren krabbelaar van vier stuivers en de zilveren Karolusgulden van 20 stuivers.  In het Duitse keizerrijk kwamen er echter zilveren munten van zo’n 30 gram die in waarde gelijk waren aan de zwaardere Duitse gouden guldens van 30 stuivers. Deze werden Taler of Daalder genoemd. Vlak voordat Gelre in 1543 ingelijfd werd, heeft Karel van Gelre in 1538 ook nog daalders geslagen. Ook Zwolle, Kampen en Deventer begonnen met het slaan van daalders. Daarvoor hadden ze toestemming van de Duitse keizer. Vandaar munten van “de drie Keizerlijke steden”. Deze daalders waren veel populairder dan de lichtere Karolusguldens.

Door de stijgende zilverprijzen en inflatie werden de kleinste munten steeds lichter en bovendien het zilvergehalte lager. Soms zelfs slechts 2%. Eigenlijk vrijwel alleen koper dus. Het was even wennen om het zilver los te laten en een waarde af te spreken, los van de intrinsieke waarde. Uiteindelijk lukte het vanaf 1543 toch om geheel koperen munten in te voeren. Het eerst in de zuidelijke Nederlanden. De duit was geboren. 

Steeds grotere delen van de Nederlanden werden ingelijfd bij de Bourgondische Nederlanden. De rest stond onder grote invloed ervan.

Omdat Karel V de Spaanse troon erfde en zijn invloed vergrootte, vielen alle Nederlanden onder de Spaanse Nederlanden.

Tot 1500 rekende men in ponden, schellingen en penningen. Zie ook de 14e en 15e eeuw. Vanaf begin 1500 begon men echter te rekenen in guldens, stuivers en penningen. Als op een rekening een bedrag genoemd werd van 2-12-4 bedoelde men dus 2 guldens, 12 stuivers en 4 penningen.

In 1555 had burgemeester Cornelis Volckenszoon van Amersfoort  een geschil met de rector van de Latijnse school. Hij functioneerde niet goed meer, met name omdat hij steeds slechter kon zien. De rector had echter nog een contract voor 3 jaar met een loon van 100 gulden per jaar dat hij niet wilde opgeven. 100 gulden per jaar komt neer op 7 stuivers per dag. Dat was niet veel.

Omdat Karel V in oorlog was met Frankrijk, werden de rijke Nederlanden hierdoor betrokken bij de oorlogen tegen de Fransen. De Nederlanden moesten voor de financiering van deze oorlogen hoge belastingen betalen. Bovendien leden ze schade door de Franse invallen in de Zuidelijke Nederlanden. Karel probeerde de macht van de protesterende Staten-Generaal terug te dringen. Dat werd de keizer niet in dank afgenomen. In 1555 draagt Karel V de Nederlanden over aan zijn zoon Philips II. Philips introduceerde in 1557 een grotere zilveren munt van 35 stuivers die beter aansloot bij de Duitse daalders. Deze munt werd daardoor al snel een succes en Philipsdaalder genoemd. De koers liep later op tot 50 stuivers. In 1562 werd ook het kleinere geld hierop aangepast met een halve, een kwart, een vijfde, een tiende, een twintigste en een veertigste Philipsdaalder. Deze laatste werd ook wel braspenning genoemd met een waarde van 1¼ stuiver of 2½ groot. In die tijd kon je hiervoor een stevige pint bier kopen in een brasserie. Het veer bij Durgerdam kostte rond 1560 1 stuiver overtocht. Later 1,5 stuiver. Bagage 2-8 stuivers extra. In 1575 kostte in Roermond een pond (450 gram) varkensvlees 2 stuivers en ossenvlees 1,5 stuiver. De inflatie was fors in de 16e eeuw. Stuiverbrood was brood voor een stuiver. Het gewicht varieerde met de graanprijzen. Rond 1596 kreeg je voor een stuiver een broodje van nog maar 3 ons.

De inflatie bleef echter maar toenemen en ook groeide de weerstand tegen de inquisitie, het harde optreden tegen de protestanten, wat zelfs de katholieken veel te ver ging. Het bleven immers hun landgenoten. Philips liet zich, in tegenstelling tot zijn vader, nooit zien in de Nederlanden en regeerde hier via een legertje gezagsdragers. In 1566 kwamen de protestanten in opstand door tijdens de Beeldenstorm honderden katholieke kerken te plunderen met als gevolg het begin van de tachtigjarige oorlog in 1568. Vooral Holland en Zeeland waren in die tijd opstandige gewesten en werden belegerd door Spaanse troepen. Verschillende steden gingen noodgeld uitgeven om hun troepen te kunnen betalen. Eerst in 1572 in Haarlem door kerkelijk zilver om te smelten en munten te slaan op vierkante plaatjes. Later in andere steden ook noodgedwongen op andere materialen. In 1573 werd de nood zo hoog dat Holland en Zeeland al het grote geld ongeldig verklaarden, tenzij ze geklopt werden. Voor 8 ongeklopte Philipsdaalders van 35 stuivers kreeg men er 7 geklopte terug. En de koers van de geklopte Philipsdaalder werd vastgesteld op 40 stuivers. Het leek dus alsof je er niet op achteruit ging, maar feitelijk werd er geld gecreëerd uit niets. Daarnaast werd het kleinste zilvergeld vervangen door puur kopergeld. Toen dat nog niet afdoende bleek werden er vanaf 1576 overgewaardeerde daalders geslagen; leeuwendaalders van 32 stuivers, terwijl er maar voor 29 stuivers aan zilver in zat. Voor het eerst werd er ook niet meer gerefereerd aan Philips II, maar aan de Staten van Holland. In de andere gewesten gingen men iets soortgelijks doen, maar dan met Statendaalders op naam van Philips II.

Na een hoop gedoe kwam er een splitsing in 1579 met de Unie van Atrecht en de Unie van Utrecht. Met de Unie van Atrecht sloten zo ongeveer de Zuidelijke Nederlanden een pact met Spanje, terwijl de Noordelijke Nederlanden zich verenigden in de Unie van Utrecht met als doel om de Spanjaarden te verjagen. Inmiddels waren de opstandige Noordelijke Nederlanden begonnen met het slaan van leeuwendaalders als tegenhanger van de Philipsdaalders. Op deze leeuwendaalders staat een anonieme ridder en de Hollandse leeuw in plaats van het portret van Philips. Willem van Oranje probeerde de Nederlanden weer te verenigen en de Staten-Generaal wilden hem als vorst, maar 2 dagen voordat hij in 1584 werd ingehuldigd als graaf van Holland werd hij vermoord. Wel werden er vanaf 1583 Prinsendaalders geslagen met het portret van Willem van Oranje. Eigenlijk mochten op munten alleen het portret afgebeeld worden van de muntheer of vorst. Hoewel Willem van Oranje dat dus nooit geweest is, werd de Prinsendaalder met zijn portret gehandhaafd. Het werd een populaire munt, omdat deze qua gewicht én uiterlijk goed aansloot bij de Duitse munten en daardoor erg geschikt was voor de Oostzeehandel. Ook de andere gewesten gingen deze Prinsendaalders slaan tot 1606.

Heel Leiden was in 1596 meer dan een jaar lang in de ban van de Gasthuisloterij die georganiseerd werd door het stadsbestuur van Leiden. Ongeveer 450 lotenverkopers verkochten in ruim een half jaar ruim 280.000 loten à 6 stuivers of één schelling. Tijdens de trekking, die 52 dagen duurde, vielen 731 fraaie en kostbare prijzen. De hoofdprijs was 1500 gulden. Uit de opbrengst van 52.000 gulden werd de verbouwing gefinancierd van het oude Sint-Caeciliaklooster (het huidige Museum Boerhaave) tot pest- en dolhuis.

Voorbeelden van zilveren munten uit de 16e eeuw 

A) Wapenstuiver 1599 van West-Friesland (1 stuiver)
B) 1/2e snaphaanschelling 1580 van Zeeland (3 stuivers)
C) 1/10e Philipsdaalder 1572 van Brabant (4 stuivers)
D) 1/20e Leicesterreaal of stoter 1595 van zeeland (2,5 stuivers)

E) 1/5e Philipsdaalder 1566 van Gelderland (8 stuivers)
F) Leeuwendaalder 1576 van Holland ( 32 stuivers)