Zilveren munten in de 15e eeuw

Koopkracht tabel met enkele veel voorkomende denominaties. Een stuiver had in 1450 bijvoorbeeld een koopkracht vergelijkbaar met  €5,50 in 2020.

Het dagloon van een vakman was gemiddeld:

·         In 1400 ongeveer 4 stuivers per dag, meestal uitbetaald in stuivers.

·         In 1450 ongeveer 4 stuivers per dag, meestal uitbetaald in stuivers en dubbele stuivers.

·         In 1500 ongeveer 5 stuivers per dag, meestal uitbetaald in stuivers en dubbele stuivers.


Philips de Goede (1396-1467) kreeg als graaf en hertog in de eerste decennia van de 15e eeuw de controle over Vlaanderen, Brabant, Limburg, Holland en Zeeland. De gebieden Utrecht, Gelderland, Friesland en Groningen waren nog zelfstandig, maar wel sterk afhankelijk van de zuidnederlandse economie. Het was lastig om de waardevermindering van geld te stoppen, maar in 1433 voerde Philips een uniforme regeling in met de Vlaamse groot als nieuwe standaard. Er kwam ook een dubbele groot die in de volksmond al snel stuiver genoemd werd. In 1441 kostte het slachten van een koe 6 groten Vlaams en het slachten van een zwijn 4 groten Vlaams. Vermoedelijk was dit inclusief het zouten van het vlees om het langer houdbaar te maken. In 1457 verdiende een meester timmerman zo’n 9 stuivers op een dag. Van een dergelijk dagloon kon hij tien liter bier of drie kilo rogge halen, waarvan ongeveer zes roggebroden gebakken konden worden. Prijzen van dergelijke levensmiddelen (want bier was in die tijd geen luxe, maar een alternatief voor vervuild drinkwater!) waren erg variabel, maar de levensstandaard was al wel een stuk beter dan eind 14e eeuw. De prijs van een complete maaltijd in een herberg was in die tijd zo’n 6 stuivers.

In de 15e eeuw circuleerden in de Nederlanden vooral groten, dubbele groten of stuivers en dubbele stuivers in diverse variaties. Voor kleine bedragen waren er penningen die steeds minder zilver gingen bevatten. Er gingen 8 tot 12 penningen in een groot. Voor grotere bedragen waren er gouden guldens in omloop. Het lastige was dat de kwaliteit van deze stuivers en guldens nogal varieerde en daarmee ook hun onderlinge koers. Bedragen noteerde men nog steeds in ponden, schellingen en penningen. Dat waren rekeneenheden, omdat ponden en schellingen als munt niet voorkwamen. Een pond was 6 guldens of 20 schellingen. En een schelling was 6 stuivers of 12 groten. Daarbij gaf men ook aan welk type men bedoelde, bijvoorbeeld pond Vlaams of pond Brabants vanwege de koersverschillen tussen deze munten. Zie ook het overzicht bij de 14e eeuw.

In Middelburg zijn grafelijke rekeningen gevonden over het onderhoud van de kastelen Middelburg en Nieuwburg. Veel kleine aannemers waren voor de kastelen van de graaf in de weer. In 1442 en 1443 werden diverse reparaties en onderhoud uitgevoerd.

  • Pieter Jansz., de rietdekker en zijn knecht werkten negen dagen lang aan " 't bouhuijs ende an die poortcamer". Daarvoor kregen zij samen 12 groten Vlaams per dag. Maar ontvingen ook nog eens 6 pond 8 schellingen en 6 penningen voor de levering van riet, helm, repen, banden en 6 schuiten klei.
  • Jan Pieterzoon, de glasemaker, kreeg voor zijn werk 3 pond 19 schellingen en 4 penningen.
  • De metselaar ontving 1 pond 14 schellingen en 8 penningen.
  • Jan Dul, de leidekker van Haarlem, werkte 13 dagen en ontving voor zijn werk en onkosten 11 pond en 18 schellingen.
  • Jacob Martijnsz. en Gerrit Jansz., de smid verdienden 4 pond 7 schellingen en 9 penningen. 


Vanaf 1466 werd de stuiver gevolgd door de dubbele stuiver of vierlander die een groot succes werd. De zoon van Philips de Goede, Karel de Stoute (1433-1477) liet samen met zijn dochter Maria van Bourgondië (1457-1485) vanaf 1474 lichtere dubbele stuivers slaan die vuurijzers werden genoemd. Ook haar zoon Philips de Schone (1478-1506) liet stuivers en dubbele stuivers slaan. 

Vlaanderen was als economisch centrum een sterke macht in de Nederlanden begin 15e eeuw.

Vlaanderen, dat deel werd van de Bourgondische Nederlanden, breidde haar macht verder uit .

Eind 15e eeuw vielen grote delen van de Nederlanden onder de Bourgondische Nederlanden.

Ook Utrecht, Groningen, Gelderland en Friesland sloegen groten, stuivers en dubbele stuivers in die periode. De belangrijkste muntsoort in Groningen was de jager of dubbele stuiver van 1454 tot 1500. In Gelderland en Utrecht werden deze munten aanvankelijk ook geslagen. In Gelderland werden onder hertog Arnold van Egmond (1423-1472) vooral kromstaarten en woechey’s geslagen. Varianten op de stuiver. Later kwam de dubbele woechey onder Karel van Egmond (1492-1538). Vanaf 1496 kwam Karel van Gelre (1467 – 1538) met nieuwe munten, de snaphaanschellingen van 6 stuivers en later ook de kwart-snaphanen of peerdekens. Toen was de schelling niet alleen een rekenmunt meer, maar ook een bestaande munt geworden. Gaandeweg gingen zij ook over op de Bourgondische munten naarmate zij meer onder invloed kwamen van Karel de Stoute en zijn opvolgers. Vanaf 1543 behoorden deze gewesten ook tot de Bourgondische Nederlanden onder het bestuur van Karel V.

De vissers van het klooster van Windesheim hebben op 12 november 1488 door een combinatie van storm en hoog water maar liefst 8000 kilo vis gevangen, waarvan 7000 kilo verkocht is voor 82 guldens. Dat is ongeveer een halve groot per kilo.

Boetes die werden opgelegd na een uitspraak van de schepenrichters, kwamen ten gunste van de stad. Deze bedragen konden aardig oplopen, afhankelijk van de aard en hoeveelheid van de gepleegde vergrijpen. Vóór 1486 werd doodslag bijvoorbeeld met 40 pond ofwel 240 gulden boete gestraft. Daarna overigens de doodstraf.

Voorbeelden van munten uit de 15e eeuw

A)  Dubbele groot of Vierlander (1443-1447) van Philips de Goede, Vlaanderen 
B)  Dubbel vuurijzer van 2 stuivers 1478 van Maria van Bourgondië, Graafschap Vlaanderen, Brabant en Limburg
C)  Dubbele stuiver 1499 van Philips de Schone, Holland.