Opkomst van het zilvergeld in de Nederlanden

De economie bloeide eind 13e eeuw op en er ontstond behoefte aan grotere muntstukken.

Het dagloon van een vakman was gemiddeld:

·         In 1300 ongeveer 1,5 groot of 0,75 stuiver per dag, meestal uitbetaald als 18 penningen.

·         In 1350 ongeveer 4 groten of 2 stuivers per dag, meestal uitbetaald als 4 groten.

·         In 1400 ongeveer 4 stuivers per dag.

Vanuit het zuiden van Europa begon de economie en handel eind 13e eeuw op te bloeien. De ruileconomie werd gaandeweg een geldeconomie. Daarmee ontstond meer behoefte aan geld. De kleine zilveren penningen die er tot dan toe waren voldeden niet meer. Er kwamen nieuwe, grotere zilveren munten uit Europa die grosso of groot genoemd werden ter waarde van 12 oude penningen. Vanaf 1252 werden in Italië sinds eeuwen ook weer gouden munten geslagen, de fiorino d’oro ofwel gouden florijn. Deze werd in Nederland al snel ‘gulden’ genoemd. Vanaf 1325 werden de eerste Nederlandse gouden guldens geslagen. 

In rekeningen werden grote bedragen genoteerd in schellingen en ponden. Die munten bestonden niet echt, maar alleen als rekenmunt. 12 Groten was 1 schelling en er gingen 20 schellingen in een pond. Vrij snel na de eerste groten kwamen er ook dubbele groten die later stuiver werden genoemd. We hebben dan dus:

  • Oude kleine zilveren penningen of denari die al sinds eeuwen circuleerden. Penning komt van het Romeinse denarius.
  • Een groot met een waarde van 12 oude penningen. Overigens kwamen er later lichtere groten van 8 penningen.
  • Een dubbele groot. Deze had de waarde van een stuiver, maar een stuiver kwam als zelfstandig muntstuk pas sinds 1404 voor. 
  • Een schelling van 6 stuivers of 12 groten. Als muntstuk kwam de schelling in de 14e eeuw nog niet voor. Alleen als rekeneenheid, genoemd naar de Romeinse Solidus.
  • Een gulden van 20 stuivers of 40 groten.
  • Een pond van 6 gulden, 20 schellingen, 120 stuivers of 240 groten. De pond was puur een rekeneenheid. Pond komt van het Latijnse Libra.

En om het ingewikkeld te maken kwamen er in de loop van de tijd verschillende versies, zoals Vlaamse groten en Hollandse groten die in koers verschilden.


Al in de 13e en 14e eeuw bestonden lijfrentes of rentebrieven. Mensen konden deze kopen bij stadsbesturen die daarover elk jaar 10% rente uitkeerden. Als men geen lijfrentes had, maar wel spaargeld, dan kon men zich inkopen in een gasthuis. Voor 300 daglonen (In 1350 ongeveer 30 gulden) kreeg je de rest van je leven voedsel en een bed op een slaapzaal. Voor 600 daglonen (60 gulden in 1350) kreeg je een eigen kamer of huisje. Vaak werd de inkoopsom op verschillende manieren voldaan. Zo kon Beatris oude Jacobs aan het Sint Pietersgasthuis in Amsterdam zich inkopen met 48 gulden contant, een rentebrief van jaarlijks 10 gulden én voor 6 gulden aan goederen. 

Vlaanderen was in die tijd het economisch centrum van de Nederlanden en vanaf 1337 ging Vlaanderen een eigen groot slaan, de leeuwengroot van 12 penningen, die bijna een eeuw lang de standaard bepaalde. De handel bloeide op. Uit het Oostzeegebied kwam graan en hout, uit Engeland wol en uit Frankrijk ruw zout. Met deze grondstoffen werden producten gemaakt als bier, laken (wollen stoffen), fijn zout (en daarmee gekaakte haring) en schepen. Veel van deze producten werden vervolgens weer geëxporteerd. De handel werd wel getemperd door rampen. In het begin van de 14e eeuw waren er diverse oogsten mislukt met hongersnood als gevold en in het midden van de 14 eeuw stierven miljoenen mensen de ‘zwarte dood’ als gevolg van de pest.

Groten werden gaandeweg wel steeds lichter en de koers daalde naar 8 oude penningen. Vanaf 1365 werden er dubbele groten geslagen die ook wel stuivers werden genoemd. De oude penningen bleven nog lange tijd de kleinste munteenheid. Omdat bijvoorbeeld de Utrechtse penning de kleinste munt was waarmee men in Utrecht kon betalen, bakten bakkers speciaal penningbrood, waarbij het gewicht van het brood(je) was afgestemd op de waarde van één penning. 

In Middelburg zijn grafelijke rekeningen gevonden over het onderhoud van de kastelen Middelburg en Nieuwburg. Veel kleine aannemers waren voor de kastelen van de graaf in de weer. Bijvoorbeeld meester Ghenekijn, een leidekker, reisde in 1344 acht dagen lang de kastelen af om reparaties aan de daken uit te voeren van de Aelsbrechtsberg (Bloemendaal), de Nuwendoorn, de Nieuwburg en de Middelburg. Ghenekijn had ook helpers in dienst en moest voor het uitvoeren van de werkzaamheden zelfs een schip huren om zijn personeel te vervoeren. Toen hij klaar was met de grafelijke opdracht kreeg hij het bedrag van omgerekend 13 schellingen (156 groten) en 4 penningen. Meester Enghebrecht voerde ook timmerwerkzaamheden uit voor 2 schellingen per dag en hij repareerde de brouwketel voor 9 schellingen.

Rond 1350 was Floris van Alkemade slotvoogd. Deze had 15 gewapende mannen in het slot. Het is beschreven dat deze mannen 149 dagen in dienst waren en daarvoor het salaris van twee groten per persoon per dag ontvingen. In 1358 maakte Albrecht van Beieren zich ongerust over de toestand van het geschut op de Nieuwburg en Middelburg. Hij benoemde Jan van Leijden Hugenzoon tot nieuwe schutmeester. Deze kreeg daarvoor een salaris van 1 pond en kleding om zijn functie te kunnen uitoefenen. Uiteindelijk werden deze kastelen in 1517 aangevallen en verwoest.

In tijden van oorlog konden landheren opgeroepen worden om dienst te nemen. Dit konden ze echter ook afkopen door iemand af te vaardigen. In 1345 moest een man met een jaarlijks inkomen van 5 pond of 30 gulden (zoals opbrengst van het land of uit huur) dan een boogschutter leveren, een man met een inkomen van 10 pond moest een lansier te paard leveren en bij inkomens van 25 pond of meer moest men een krijger of ridder leveren.

Ook toen al was er inflatie. Gaandeweg werden groten minder waard. Dat kwam vooral door het omsmelten van oude groten en laten slaan van meer nieuwe groten. Deze nieuwe groten waren lichter of hadden een lager zilvergehalte, maar werden in omloop gebracht als een echte groot. Met de winst door deze ‘omwisseling’ kom men oorlogen financieren of andere zaken bekostigen. 

In de zomer van 1390 verdiende een timmerman voor een dag werken ongeveer 4 stuivers of 8 groten. Van dit dagloon kon hij ongeveer 700 gram rogge kopen, wat goed was voor ongeveer anderhalf roggebrood. Dat was dus echt een hongerloontje. Een dijkgraaf, de hoogste functionaris door de graaf aangesteld om sluizen en dijken te bewaken, verdiende in die tijd ongeveer 1 pond per week. Dat komt neer op 17 stuivers of 34 groten per dag.
De adel had de meeste inkomsten. Zo is bekend dat de baljuw (bestuurder) van Woerden tussen 1394 en 1396 elke maand 80 pond (480 gulden) aan de gravin betaalde. Dat kwam neer op de helft van alle inkomsten in het baljuwschap. De baljuw zelf moest het doen met een schamele 20 pond per jaar, ofwel 10 gulden per maand. Dit varieerde echter nogal en bovendien waren er allerlei emolumenten, dus dat geeft wel een vertekend beeld.

Voorbeelden van munten uit de 14e eeuw

A) Leeuwengroot 1346-1384 van Lodewijk van Male, Vlaanderen
B) Dubbele groot 1346-1384 van Lodewijk van Male, Vlaanderen